‘Het deed er niet meer toe, de zoon zou net als de vader dokter worden. Er hoefden geen woorden meer aan vuil worden gemaakt.’
Het verhaal van Wat ik van je weet begint als Tarek twaalf jaar is, door een onschuldige vraag wordt zijn toekomst al bepaald. Zijn vader heeft een goedlopende praktijk in de wijk Dokki in Caïro, ze zijn een van oorsprong uitheemse maar welgestelde familie die zich kan onthouden van kritiek op de president in het Egypte van 1961. Die toespelingen op de politiek worden af en toe door de regels heen gemaakt, de focus ligt op het opgroeien van Tarek.
Na een tijdsprong vervolgt een nieuw hoofdstuk met ‘Vaders zijn er om te verdwijnen; de jouwe ging dood in de nacht.’ Inmiddels arts beheert Tarek dan twee praktijken, want op de berg Mokattam laat hij een hulppost bouwen voor de vuilnisbeltgemeenschap die daar woont. Zonder dat het ritme van de zinnen verandert, komt het verhaal daar figuurlijk in een stroomversnelling. De jongeman Ali bezoekt hem regelmatig op de Mokattam, want er is iets vreemds met zijn moeder aan de hand.
Je ontving hen tussen die vier muren terwijl op de achtergrond een cassettebandje speelde waarop je je favoriete Europese muziek had gezet, inclusief dat ene Arabische liedje van Dalida dat een paar maanden eerder was uitgekomen: een verzoeknummer van veel van je patiënten.
De dagen waarop hij daar werkt eindigen steevast in avonden bij Ali thuis. Het regelmatige bezoek leert Tarek over het hem onbekende armere leven aldaar en in retour probeert hij Ali’s moeder met haar ziekte te helpen. Aan het eind van haar leven valt de schaamte daarvoor eindelijk wat weg en kan hij Ali een leerplaats in de praktijk aanbieden. Een romance tussen de twee ontstaat, wat daar en dan een strafbaar feit is. Nog voordat ze eventueel wettelijk aangeklaagd worden doet de omgeving het wegpestende werk. Tarek ontvlucht Egypte, zijn vrouw, moeder en zus achterlatend. In Canada bouwt hij een nieuw leven op.
De eerste bladzijden valt de consequente, rustige schrijfstijl in de tweede persoon enkelvoud op. Daarna kom je in een vloeiend lome cadans. Totdat je, al een eindje in het verhaal gevorderd, ineens leest ‘het is niet aan mij om te vertellen wat er die nacht is gebeurd’. Wie is inderdaad die ik, wie schrijft het verhaal van Tarek op? Het punt waarop dat onthuld wordt komt, Chacour werkt er rustig naar toe. En daarna volgt een net zo mooi deel.
Nog meer dan een verhaal over een verboden band tussen mensen gaat het over familie, je thuisland, terugkeren naar het vertrouwde. Die eerder genoemde ziekte komt overigens later ook weer voor in het verhaal: Huntington. Wat ik van je weet is een roman waarvan de sfeer bleef hangen. Ook al las ik het met tussenpozen, ik zat er telkens met één regel weer in.
Het voelde een beetje zoals Dalida zingt:
Een of twee woorden / Het is mooi, mijn land! / Ik heb altijd gehoopt / er ooit naar terug te keren / en er voorgoed te blijven
Éric Chacour, Wat ik van je weet, vert. Joris Vermeulen, De Bezige Bij, 2024, 270 blz., 9789403132631.
