12 maart 2026

Audrey Magee – De kolonie

‘De mannen roeiden naar de top van de golf en toen zag hij een grote rots met zee rondom. / Is dat het? / Dat is het? / En toen verdween het weer achter een muur van water. / Ik had meer verwacht. Iets groters. / Meer is het niet.’

Meneer Lloyd, een Engelse kunstschilder, wordt door twee mannen naar het eiland geroeid. Over de Atlantische Oceaan in een curragh, een traditionele Ierse boot (voor een indruk, een afbeelding is snel gevonden op het web). De keuze voor deze boot is de uitdrukkelijke wens van Lloyd zodat hij dichter op de zee zit. De motorboot is het gangbare vervoer. Hij wil de kliffen schilderen.

‘Hij keek omlaag. En zag kliffen. Zoals ze in het boek stonden, ruige, rotsachtige, woeste schoonheid en de zee die met een donderend geraas tegen de klippen sloeg, vijftig meter onder zijn knieën en handen. (..) tot hij de kracht van zee tegen rots door zijn hele lijf voelde dreunen, tot in zijn botten / ongezien / ongeschilderde / schoonheid / zijn ontdekking / mooi genoeg / voor olieverf / Hij moest lachen / om schimmel / regen en kou / om kool / aardappel / en vis uit het vet.’

Al in de eerste momenten op het eiland wordt hem gezegd dat de bewoners niet willen dat hij hen schildert. De opinie is dat je niet te veel naar jezelf moet kunnen kijken, je zou verwaand kunnen worden. Er zijn slechts 92 bewoners en 12 gezinnen waarvan de kinderen naast het Iers zich ook verstaanbaar kunnen maken in het Engels. Ze lijken nog een unieke identiteit te hebben ondanks kolonialisme.
Op het afgelegen eiland komen sporadisch bezoekers. Deze zomer zijn er zelfs twee. Na Lloyd arriveert de Franse Masson. Hij onderzoekt als wetenschapper al een aantal zomers het oude Iers dat dreigt te verdwijnen en weigert Engels te spreken. De 15-jarige zoon James van de jonge weduwe Mairéad spreekt hij bijv. steevast aan met zijn Ierse naam.

Er zijn in het verhaal drie generaties vrouwen – de moeder, oma en overgrootmoeder van de jongen. Er wordt generatie op generatie geleefd van de visvangst. James doorbreekt het patroon, hij vangt konijnen – de jager/verzamelaar. Zijn vader, oom en opa waren visser en keerden niet terug van zee. Moeder wacht echter nog steeds op haar man, James’ vader, waarmee ze zou emigreren. De mannen die Lloyd naar het eiland roeiden hebben een rol in het geheel – als ze op het eiland zijn, maar ook m.b.t. aanvoer van benodigdheden. De mannen denken Mairéad de wet te kunnen voorschrijven, ze gaat haar eigen weg in de kunst. Ze ontdekt boeken, ze staat model. James is nieuwsgierig naar Lloyds’ werk en materialen, maar ontdekt vrij snel dat de Engelsman het licht verkeerd bekijkt, niet van onderaf. De leerling die de meester lesgeeft is een interessante lijn om te volgen. Er is sprake van ‘eksterkunst’.

met de radio aan op praatprogramma’s waarin mannen met een zachter, zuidelijk accent de regelmaat van de moordaanslagen bespraken, het geweld dat steeds hardnekkiger leek te worden daar, in het noorden, over de grens

‘De kolonie’ gaat door de twee bezoekers vooral over kunst en taal. Intussen lees je over de natuur, de vogels, tradities, het herhalende sobere leven, de stilte en eenzaamheid, denkwijzen en veranderingen, maar ook geschiedenis en het nieuws in 1979. De kolonie als eiland-van, de Fransman brengt er nog een verhaallijn in naar een andere kolonie. De actualiteit komt als eerste in het boek door indringende fragmenten van aanslagen na ieder hoofdstuk. Daarna sijpelt die ook steeds meer door ook in de verhalende tekst via nieuwsberichten op de radio. Het verdeelde Ierland, de tijd van The Troubles. Je hebt gelijk ‘Bloody Sunday’ in je hoofd.

Iemand merkt op: ‘Een gek in het dorp, een gek op de kliffen, wat een zomer.

Door een goed gedoseerde opbouw en geven van informatie bemerk je door aankomst van eerst de Engelsman en even later de Fransman een onderhuidse spanning. De ontstane rivaliteit zorgt voor verdeling en tegelijkertijd daardoor op punten voor verbinding. De beide gasten met ieder een eigen ego zijn indringers in de gesloten gemeenschap terwijl sommige bewoners ook van hen profiteren. De monopolie m.b.t. vervoer voor vraag en aanbod van afgelegen rots naar vaste land en v.v. geeft een machtspositie van twee andere mannen. De afstand is er in veel opzichten. Toch lijkt er een ommekeer op handen, steeds meer jongeren trekken weg, is niet alles meer een vaststaande traditie en zijn er stille wateren die diepere gronden hebben.

‘Stel je voor, zei Mairéad. Een Fransman en een Engelsman aan het ruziemaken over iets wat eigenlijk van ons is. /
Dat doen ze al eeuwen, zei Francis. / Ja daar heb je een punt.’


Het is een zomer waarin voor dit eiland veel gebeurt, tevens niets ongezien blijft, niet in het minst door de aanwezigheid van de tegenpolen. Men blijft van niets onwetend, zelfs niet van de compositie of een onderdeel ervan op het enorm grote doek. Er ontstaat een getekende eilandserie, een geschilderde weergave. De ander creëert door gesprekken en opnames een gedrukte weergave.
Beide ‘buitenlanders’ observeren. Observeren ter eigen gewin. Beiden geven een interpretatie vanuit hun eigen werkelijkheid, hun eigen gekleurde achtergrond, hun cultuur, waarmee de vraag kan worden gesteld of hun echte waarheid ook macht is. ‘waar komen we vandaan? wat zijn we? waar gaan we naartoe?’

De kolonie is een boek dat steeds mooier en voller van betekenis wordt. Na het lezen volgen ongemerkt meer gedachten en worden logische verbanden gelegd. Niet dat je tijdens het lezen niets opmerkt in dit boek van bijna 400 pagina’s: wisselende vertelperspectieven in eenzelfde alinea, zinnen die je bijna exact hetzelfde in een volgend fragment weer kunt lezen, dialogen, soms langere natuurbeschrijvingen, een scherpe dialoog met humor of een rede zonder leestekens en vooral sterk neergezette karakters. Momenten kun je zintuigelijk de wind voelen, de zee horen, je proeft het konijnenstoofpotje, je ziet de personages of je ze echt kent of je wandelt luisterend naar de vogels mee over de kliffen, maar nooit voelt het zweverig, onrealistisch. De stukken daartussen met aanslagen zijn zonder opsmuk zeer realistisch.

Dit boek oppakken op een vrije dag betekent achterelkaar uitlezen. In een werkweek pak je het boek ’s avonds ook met plezier op, al is het maar een paar hoofdstukken. Een puntje risico voor doorlezen kan zijn dat je in het eerste stuk langere beschrijvingen tegenkomt. Toch blijft het boek trekken zegt deze lezer uit ervaring, en kom je op een punt dat je ineens doorleest tot het uit is. Niet in het minst door de goede soepele vertaling van Lette Vos.

‘De Kolonie’ is een boek dat je bijblijft door verhaal, sfeer en schrijfwijze, een boek dat prima past op je vakantiestapel.
Mooi, gelaagd, goed opgebouwd, veel thema’s.
Ik had meer verwacht. Iets groters. / Meer is het niet.‘, het is een hele wereld dit kleine eiland.

Audrey Magee, De kolonie, vertaler Lette Vos, Oevers, 2025, 396 blz., 9789493367630

Een gedachte aan De berenrug van Dimitri van Bontenakel kwam boven,
ook een eiland, ook sober leven, een totaal andere tijd en ander verhaal.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *