“Mijn vader was een tuinman. Nu is hij een tuin.”
Een boek over de dood van een vader, het korte ziekbed ervoor, nee meer nog zijn leven. “Niks aan de hand.”
De schrijver aanschouwt een lijden, staat er middenin door een zoektocht naar stevige pijnstillers en als die eigenlijk steeds te laat komen “de pijn is ons steeds een stap voor”, zit hij naast het bed van zijn vader in het appartement in Sofia.
Verhalen, verhalen. Gospodinov is dan wel de schriftsteller, zijn vader zat ook vol verhalen. Hij wist alles van de families in het dorp en het gebied eromheen. Met hem verdwijnen er meerdere werelden. Stukjes uit de geschiedenis van de Bulgaarse sovjettijd (daar sots-tijd genoemd) komen voorbij, net als andere culturele elementen als Gergjovden (Sint-Joris, 6 mei).
Hoe Georgi zelf opgroeide, hoe hij nu over de wereld reist voor zijn werk. Hoe zijn vader dan wel nooit meeging maar toch altijd benieuwd was en even belde.
De dood en de tuinman is geen zwaar boek. Het is mooi juist omdat het niet uit is op tranentrekkerij maar door fragmenten laat zien hoe sterk de band was en hoe de schrijver de eerste maanden na het overlijden doorkomt. Want wie zorgt er nu voor de tuin waar ziel en zaligheid van de tuinman in zat?
En of het nu Bulgarije of Nederland is, er zijn universele karaktertrekken van mensen. Ik heb moeten lachen om de zin “ik heb dit jaar 139 sneeuwklokjes, kom eens kijken” want ik hoor oma aan de telefoon ongeveer hetzelfde zeggen over de ontvangen kerstkaarten. “Dit jaar waren de sneeuwklokjes te laat.”
Dit was voor mij het eerste boek van Gospodinov. De rest zal ook eens volgen. Nog een laatste citaat: “zijn bloemen in wezen niet geheime periscopen van de doden die de wereld door hun steeltjes bekijken?”
Vorige zomer las ik Lanoye’s Sprakeloos, over zijn moeder. De tuinman is een soort vaderlijke tegenhanger.
Georgi Gospodinov, De dood en de tuinman, vert. Hellen Kooijman, Ambo Anthos, 2026, 224 blz., 9789026371158.
