1 mei 2026

Joris van Casteren – De mensheid zal nog van mij horen

Dit boek werd op de shortlist van de Boon 2026 gezet en ving toen ergens mijn aandacht. Het was bij verschijnen in 2024 een beetje verloren geraakt in een uitgeefstroom. Onterecht zeg ik nu: Joris van Casteren schrijft zodanig in een documentaireachtige stijl over mensen dat je automatisch nog even door wilt lezen. Hoe een boek over dagboekschrijvers intrigerend kan zijn!

Met het eerste hoofdstuk kan je even de gedachte bekruipen waar nu toch in beland te zijn. Een vrouw beraamt plannen zodra haar man slaapt om apotheken te beroven en pent alles neer? Er zit eigenlijk een zielig verhaal achter van een jonge vrouw die in haar jeugd zo verwaarloosd is dat ze er persoonlijkheden in een dagboek aan heeft overgehouden. Mede door die stemmen wil ze een overdosis pillen hebben.
Verder gaat het met een jongeman die niet geschikt is voor het leraarschap en zich laat omscholen tot verpleger. Vanaf het begin tot aan het eind van zijn leven is hij geobsedeerd door het gegeven dat het hem niet echt lukt een vrouw aan zich te binden. Dat ongenoegen gecombineerd met diverse andere ergernissen heeft hij breed uitgemeten in bijna 180 schriften. Van Casteren: ‘hij schreef krankzinnig veel, hij geldt als een hooggebergte’.

Tussen de stukken over de dagboekschrijvers lees je hoe de auteur tot dit schrijfproject is gekomen. Viavia is hij op het Nederlands Dagboekarchief gewezen, eigendom van het Meertens Instituut, opgeslagen in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Er worden daar wekelijkse leesdagen georganiseerd en Van Casteren zette zich aan een stapel egodocumenten om te zien of hij er iets mee kon. Ja dus, enkele dagboekschrijvers bleken zulke spreekwoordelijke luide stemmen te hebben dat het de moeite waard was om hun verhaal voor een groter publiek op te schrijven. Dat was tenslotte ook hun wens; niet voor niets zijn de dagboekverzamelingen aan het archief geschonken.

Met een onderzoekende blik gaat Van Casteren door de stapels heen: wat is interessant, komen genoemde zaken later in de verschillende levens terug, zijn er overeenkomsten te bespeuren? Doordat sommige scribenten alle voorvallen zo uitgebreid opschrijven, komt hij er toevallig achter dat een paar van hen op dezelfde dag in een museum waren of in dezelfde trein moeten hebben gezeten.
Alle dagboeken zijn plusminus uit de jaren 1970-2000, een enkele loopt langer door. Ik vond het zelf interessant om over de gevoelswereld van mensen uit de recente geschiedenis te lezen. Wat me vooral opviel ten opzichte van dit decennium is dat er regelmatig geklaagd wordt over koude huizen en ieder burengerucht. Tegenwoordig zijn veel huizen beter geïsoleerd.

‘De mensheid zal nog van mij horen!’, het klinkt bijna als een waarschuwing zoals de journalist ook kreeg voorgehouden: ‘die mensen laten je niet meer los, ze gillen om aandacht’. Als lezer merk je dat ook. Op de ene bladzij meen je dat je wel een heel intiem kijkje krijgt in iemands leven op het voyeuristische af, het volgende moment ben je toch wel erg benieuwd of het een beetje goed komt met een ander.
De ene man heeft pech met een erg humeurige echtgenote die zijn dagboek meeleest en becommentarieert, de ander is zo bang dat zijn gedachten gelezen worden dat hij ze in spiegelschrift op het papier zet (respect voor Van Casteren dat hij alle schriften heeft doorgeworsteld). Mensen met pech, mensen die zichzelf wel zo bijzonder in het leven plaatsen… er zitten vreemde vogels tussen. En toch zit in elk beschreven leven iets universeels: het vermogen er iets van te maken versus hoe het leven je overkomt.

Verrassing in het laatste hoofdstuk: de nog levende dagboekopstellers of hun nabestaanden worden opgezocht. Dat is eigenlijk een heel mooi einde voor dit non-fictieboek dat leest als een roman.

Joris van Casteren, De mensheid zal nog van mij horen, De Bezige Bij, 348 blz., 2024, 9789403180915.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *