Een warme zomerdag, te warm voor veel, ook om een dik zwaarwegend boek op te pakken. In de geleende stapel ligt Rode zomer – niet dik, fijn formaat én van Arns waarvan meer in huis is. En vooral: het léést.
Als je terugdenkt aan bepaalde momenten in je leven, haalt je brein dan de originele gebeurtenis op? Of zijn daar nieuwere, veranderde versies voor in de plaats gekomen die elke keer als je de herinnering ophaalt de oudere overschrijven?
Rode zomer bestaat uit uit twee delen. In het eerste wordt vanuit het heden teruggeblikt op de zomer van 2006. Veel herinneringen staan zo de verteller aangeeft nog ‘haarscherp voor de geest, al was ik destijds pas elf.’ en beschrijft hoe ze haar oppas /huishoudster voor die zomer met vader-die-mijn-vader-niet-is stond op te wachten, hoe poederig de oppas rook, hoe ze gebaarde en meer. Haar moeder is die zomer ‘elders’, haar vader-die-mijn-vader-niet-is vertrekt voor de rest van de zomer met zijn assistent. ‘Ze lacht naar hem, maar niet als assistent.‘ De keer dat hij een keer lachte weet ze nog te noemen. Maria en Mauro sluit je direct in je hart door alles wat wordt genoemd.
Ik heb er alle zomers van mijn vroegste jeugd doorgebracht. In stilte vooral, herinner ik me, lezend, liggend aan het zwembad, doelloos zwervend in en rond het huis.
Behalve die zomer waarin zij kwam, omdat moeder elders was, en vader op reis met zijn assistent. Het was mijn beste zomer. Ze liet me zoveel nieuwe dingen zien, het kleine strandje aan het meer, hoe je taart bakt, hoe je de was strijkt, uien snijdt zonder te huilen. Moederdingen. Ze leerde me het woord petrichor en zoveel andere nieuwe woorden, en dat minstruwaasie? niets anders is dan een grens oversteken naar een opwindend nieuw land.
Die paar maanden samen lijken alsof het een hele jeugd is die een kind gewoonlijk heeft. Ze leerde allerlei vaardigheden, ze gingen eropuit, huishoudelijke klusjes zoals het strijken kan ze minutieus navertellen. Ze werd voorgelezen, het ‘opende daarmee voor mij vensters op nieuwe werelden.‘ Een ervaring waardoor een eigen exemplaar van De Kleine Prins later werd gekocht. Dat je niet alles gelijk hoeft te begrijpen om mooi te vinden komt ook nu naar voren:
‘ Wat de vos tegen de Kleine Prins zegt begrijp ik nu pas: alleen met het hart kun je goed zien / wat essentieel is, is onzichtbaar voor het oog.‘ De voetbalwedstrijd na het vinden van het medaillon geeft een ervaring, de vondst zelf betekent een verandering in het samenzijn en rood is terugkerend.
Als ik terugdenk aan die zomer denk ik aan rood. Aan de grote kelken van de hibiscusstruiken rond het zwembad, de knisperende bougainvilles, moeders Vespa, mijn rode badpak. Aan de watermeloen die we aten, haar vuurrode nagels en mond, het fluweel waarop het medaillon lag, de ondergaande zon die de heuvels in lichterlaaie zette, het eerste glas rode wijn dat ik dronk. Aan mijn vrouwenbloed.
In het tweede deel, ook in Italië maar dan in 1920, is Dante Lucio Fiori aan het woord. Hij is fotograaf, onlangs getrouwd, zal binnenkort emigreren naar Amerika, met vrouw en haar dan geboren kind en vooral is hij oorlogsveteraan. Voor een opdracht moet hij vroeg op pad. Nog weinig verkeer, wel een gevaarlijke weg. Eenmaal aangekomen bij het landhuis met opmerkelijke modellen komen de herinneringen in volle hevigheid naar boven.
Je hebt geluk gehad, zeiden ze later. Het geluk van een overlevende. De dans ontsprongen. Ontredderd. Ontluisterd. Ontmand.
Dante vertelt in flarden over momenten uit de oorlog die hem zoals velen met een trauma achterliet. Over Cuccio, over meegedragen amandelsuikers, een losse arm met ring, over wapenbroeders die vrienden waren, nu een oorlogsslachtoffer.
In het heden van Dante spelen er andere zaken: ‘De mensen zijn ontevreden: la Grande Guerra heeft hun grootse beloften gedaan – land, brood, rechtvaardigheid -, maar slechts honger gebracht. De socialisten roepen om meer gelijkheid, de anarchisten dromen van een nieuwe wereld en de liberalen houden angstvallig vast aan de orde die hun al door de vingers glipt. – En dan zijn er nog ontluisterden waartoe hij zichzelf rekent.‘ Het fotograferen is na die tijd gekomen. Door zijn vroeg opgemerkte kunstzinnige talent kreeg hij later een plek op kunstacademie in Venetië. Mede door een als toen ervaren provocerende toespraak werden Dantes klassieke doeken donkerder en expressiever. In zijn notitieboek schreef hij: Kunst is geen spiegel meer, maar motor. Snelheid is schoonheid. Beweging is waarheid. Toekomst!
Dante laat zich niet graag herinneren aan die tijd, maar wat doe je als deze herinneringen onverwacht in alle hevigheid bovenkomen? Hij was toen nog ‘een onbeschreven jongen, met de kop vol geleende idealen, vatbaar voor koudvuur van het fanatisme.‘
Daarna was er geen ruimte meer voor creëren naar de toekomst, er werd vernietigd, tijd voor fotografisch reflecteren.
In het nu van 1920 wordt Mussolini genoemd, is er weer grote werkloosheid en ontevredenheid, opstanden onder boeren en werklui. Het broeit.
Waar aan het begin van het tweede deel nog redelijke onrust heerst in gedachten en herinneringen buitelen deze naar het eind in rap tempo over elkaar heen en wordt de snelheid onfortuinlijk opgevoerd.
Tussen de twee delen zit ongeveer 100 jaar. Totaal andere tijd, wel eenzelfde omgeving waar gebeurtenissen een rol spelen met name door de kleur rood in vele facetten. De rode kleur van bloed is in beide verhaallijnen wel de meest duidelijke. Voor de één de weg naar volwassenheid, voor de ander het pad van geweld en een haast onbegaanbare weg van verlies. Er is meer in detail – een rood draadje rond een pols waarvan díe hand moet schrijven, dat deze twee delen verbindt en een connectie in bloedlijn laat vermoeden en bevestigen. Wat is het fijn dat de lezer zelf kan ontdekken en bedenken, de schrijver die je laat concluderen en niet uitweidend verhaalt. De personages of gebeurtenissen staan niet centraal, het zijn juist de herinneringen die door een voorwerp, een bericht of foto, een geur of kleur weer tot leven, in herinnering komen en je dingen kunnen laten afvragen:
Wat je ervaart en wat er daadwerkelijk is: soms zijn het twee totaal verschillende dingen. Ik realiseerde me destijds ook niet dat ze een eigen leven moet hebben gehad, met vriendschappen, verplichtingen, verwachtingen, liefdes wellicht. Hoewel ze erg ondernemend, open en enthousiast was, hield ze bepaalde dingen voor zichzelf.
De modellen die in 1920 op portret moeten worden gezet met de fotografie van toen zijn geweldig neergezet. Je ziet ze levendig voor je, wat een karakters. Op foto lijken ze vele jaren later nog diezelfde uitwerking te hebben. Het omslagbeeld van Rode zomer geeft ook een model weer dat op een foto werd gewenst. Rood, een kleur die zich herhalend laat zien in allerlei facetten, van aanwezig warmbloedig tot bloedeloos koud.
Rode zomer is een goed geschreven gelaagde roman waarin ieder woord betekenis heeft, geen woord teveel staat en waarin verandering en herinnering de leidraad zijn. Structurele verandering in een leven die ten grondslag ligt aan grotere geopolitieke kwesties en een structurele verandering in een jeugd door natuurlijk verloop naast pedagogisch gedragingen in kleiner verband.
Een boek dat je in je kast wilt hebben zodat je kunt herlezen, een volgend detail kan ontdekken of een feit door herinnering anders zal herleiden.
Frouke Arns, Rode zomer, Ambo Anthos, 2026, 184 blz., 9789026372490
